HR 15 december 2009 (bedreiging Balkenende), LJN **BJ7237**

Voor zover het middel berust op de opvatting dat art. 285 Sr. slechts ziet op bedreiging met een door de “bedreiger” zelf te plegen misdrijf, faalt het. Die opvatting is onjuist.
Ook de opvatting dat voor een veroordeling ter zake van het delict van art. 132 Sr. (verspreiding opruiïende stukken) vereist is dat komt vast te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is dat het strafbaar feit of een gewelddadige optreding als in die bepaling bedoeld zal plaatsvinden, is onjuist. Het oordeel van het Hof komt er op neer dat de door de verdachte gebezigde tekst bedreigend opruiend van karakter is en derhalve niet kan worden beschouwd als een bijdrage aan het publieke debat. Dat oordeel is ook in het licht van het in de toelichting op het middel aangehaalde onderdeel van hetgeen ter verdediging is aangevoerd, zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.